ruben fukking 2Vanuit het Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding van de Hogeschool werkt hij, samen met Marloes van Verseveld, aan de evaluatie van de PACT-proeftuinen.
Hoe organiseer je interprofessionele samenwerking efficiënt op het niveau van opvang, onderwijs en jeugdzorg? Op wat voor manier realiseer je als professional binnen een van deze disciplines een effectief en geïntegreerd aanbod voor kinderen? Een overzicht uit onderzoek, beleid en het PACT-project.
Werk je als leerkracht van de kleutergroepen samen met je collega van de peuterspeelzaal? En ook met een collega van de jeugdzorg? En kun je door deze interdisciplinaire samenwerking kinderen beter begeleiden in hun ontwikkeling? Dit zijn enkele concrete voorbeelden van de vragen die worden gesteld aan pedagogische professionals in het lopende PACT-project. Deze naam is gekozen om duidelijk te maken dat hechte samenwerking en het sluiten van een pact centraal staan, hier tussen voorzieningen voor het jonge kind in onderwijs, kinderopvang en jeugdzorg. PACT wil een bijdrage leveren aan de beoogde samenwerking door de samenwerkingscompetenties van alle betrokken pedagogische professionals te versterken. Dit recent gestarte project past binnen een veel bredere beweging in het Nederlands beleid die gericht is op een meer integraal aanbod voor het jonge kind.

Back to the future?
In 1985 gingen de lagere school en de kleuterschool samen: de basisschool was een feit. In 2015 zien we opnieuw het begin van een fusiegolf. Peuterspeelzaalwerk en kinderopvang vallen sinds kort, door de invoering van de Wet OKE, onder één gezamenlijk kader. De jeugdzorg staat ondertussen ook niet stil en wordt ingepast in passend onderwijs. En op verschillende plekken in het land zijn er integrale kindcentra waar kinderopvang, basisonderwijs en soms ook jeugdzorg samenwerken onder één dak. Met het nieuwe beleid schuiven verschillende partijen zo langzaam maar zeker naar elkaar toe.

Eigenlijk is deze tendens niet nieuw. Het integrale kindcentrum van vandaag lijkt natuurlijk op de brede school van gisteren. En het huidige passend onderwijs doet denken aan de Weer Samen naar School-beweging waar professor Dorenbos zich jaren geleden al hard voor maakte. Ook in het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en de Zorg Advies Teams (ZAT) kwamen mensen met een verschillende professionele achtergrond elkaar al tegen. We willen al langer een integraal aanbod voor het jonge kind dat continuïteit en consistentie biedt. Maar toch, het is opvallend hoe breed de huidige beweging is met diverse partijen die serieus zijn gaan samenwerken voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Het is ook opvallend omdat samenwerken misschien wel de moeilijkste vorm van werken is. Het vereist een gedeelde visie en frequente afstemming tussen betrokken partners en communicatie. Op dat punt moeten onderwijs, kinderopvang en jeugdzorg nog wel pionieren.

Ook vraagt het om samenwerkingsvaardigheden van de professionals op de werkvloer van al deze werksoorten. Bovendien weten we van de brede school dat er na een energieke fase vol ‘onrust en stress’ ook een periode kan volgen waarin alles stilvalt.
Veel aandacht in beleid en onderzoek gaat nu uit naar de samenwerking zelf. Onderzoek laat zien dat de samenwerking heel erg verschillend kan zijn georganiseerd. Een onderzoek van Ploeger en Fukkink (2013) onder combinaties van basisschool en buitenschoolse opvang liet bijvoorbeeld zien dat de samenwerking heel hecht was in locaties in Stockholm, Aarhus en Berlijn. Maar de basisschool en buitenschoolse opvang kunnen ook zeer los van elkaar werken bij pedagogisch beleid en de zorg voor zorgkinderen, zoals een Nederlandse locatie liet zien. Dit onderzoeksterrein is nieuw en dynamisch maar is ook nog ‘in search of evidence’ – oftewel ‘op zoek naar bewijs’ – zoals Morrison en Glenny (2012) terecht opmerken. Toekomstig onderzoek moet duidelijk maken hoe interprofessionele samenwerking efficiënt kan worden georganiseerd op het niveau van de betrokken organisaties en professionals én effectief is in het realiseren van een geïntegreerd aanbod voor kinderen.

Een visie voor 2020
Wat moet de beoogde samenwerking opleveren? De groep Kindcentra 2020 – een groep van bestuurders uit het primair onderwijs, sleutelfiguren uit de kinderopvang, enkele wethouders en het Kinderopvangfonds – is overtuigd van de meerwaarde van integraal beleid en samenwerking tussen allerlei organisaties die werken met kinderen. Volgens het visiedocument ‘Ontwikkel de toekomst’ moet dit centrum over vijf jaar een totaalpakket bieden voor de ontwikkeling, educatie en opvang van kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Het kindcentrum van de toekomst moet zo een einde maken aan de huidige versnippering van de dag, waar kinderen soms te maken hebben met voorschoolse opvang, school, tussenschoolse opvang, dan weer school en ten slotte naschoolse opvang. Ook moet dit kindcentrum een einde maken aan de ‘wirwar van publiek en privaat gefinancierde instellingen met een groot verschil in toezichtkaders’, zoals valt te lezen in het plan. Om dit te bereiken kent het centrum van de toekomst één pedagogische visie, één team en ook één rechtspersoon, één cao en één integraal huisvestingsplan.
Dit getal ‘1’ duikt regelmatig op in het visiedocument. Er is zelfs een bijzondere manier om te rekenen met dit getal. ‘1 + 1 = 3’ is niet meer waar, aldus de auteurs. Dat oude sommetje stamt nog uit de tijd toen betrokkenen enthousiast waren over de toegevoegde waarde van samenwerking, zo valt te lezen op pagina 10 van het document. Maar het nieuwe kindcentrum is ‘de samenwerking voorbij’, zoals dat heet. En nu geldt daarom: ‘1 + 1 = 1’.

PACT: praktijk in 2015
Een visie is mooi en beleid is belangrijk, zeker. Maar een belangrijke vraag is waar de praktijk nu staat en soms tegenaan loopt. Eén van de allerbelangrijkste vragen voor de praktijk is of de verschillende medewerkers klaar zijn voor de interprofessionele samenwerking met diverse professionals met diverse kinderen. Deze vraag is des te relevanter als we willen dat al over vijf jaar het beoogde kindcentrum 2020 zijn deuren opent. Het is daarom goed dat we in de praktijk van 2015 al interessante voorbeelden kunnen beschrijven van organisaties die de werelden van onderwijs, opvang en zorg met elkaar verbinden. In het PACT-project worden enkele pilots ondersteund en gemonitord, beginnend vanaf dit jaar. Deze pilots moeten duidelijk maken – allereerst aan de deelnemende partijen zelf – waar iedereen nu staat en of er stappen worden gezet richting een integraal – of in ieder geval: integraler – aanbod voor het kind.

Dit kan betekenen voor sommige pilots dat de samenwerking tussen de voorschoolse sector en schoolse sector dan beter moet worden geregeld. Andere scholen mikken op een effectieve én efficiënte samenwerking binnen een breed zorgteam in en rond de school met de intern begeleider, een ouder-kind adviseur en een wijkteam voor reguliere zorg en, waar nodig, specialisten voor extra zorg. Maar ook de leerkracht van de groep moet een plek krijgen in deze brede samenwerking, omdat hij of zij het meest te maken heeft met het kind. Sommige basisschooldirecteuren vragen zich sowieso af hoe ‘al die netwerken’ in en om de school duurzaam kunnen worden verbonden met de competenties van het eigen schoolteam. Deze actuele vragen laten zien waar het om gaat. Het gaat niet alleen om een nieuwe structuur op papier. Het gaat om praktijkgerichte kennis over hoe professionals met een heel verschillende achtergrond effectief met elkaar kunnen samenwerken. En uiteindelijk gaat het om een geïntegreerd en kwalitatief sterk aanbod voor een diverse groep kinderen die samen naar hetzelfde integrale kindcentrum of dezelfde basisschool gaan (zie Littlechild & Smith, 2013).

Beleid versus praktijk?
Opvallend aan de huidige integratiebeweging is haar ‘bottom-up’-karakter. Een sterke lokale beweging ‘van onderop’ is niet vreemd in dit tijdsgewricht waarin de gemeentes meer en meer verantwoordelijkheden hebben gekregen bij hun jeugdbeleid. Het lijkt er soms op dat er één gezamenlijke tegenstander is die de mensen lokaal bindt: het landelijke beleid zoals dat nu afkomt op de pedagogische professionals in de praktijk. De optelsom van de regels en wetten uit de verschillende ministeries leidt tot een wirwar waar de praktijk én het jonge kind in verstrikt raken, zo valt te beluisteren. Het landelijke beleid is zelfs zo ingewikkeld geworden dat het eigenlijk niet meer is uit te leggen, volgens wethouder René Peeters van Almere (zie Verschuur, 2014, p. 9).
Maar de reactie van enkele mensen uit lokaal beleid en praktijk is dat wat ‘uit Den Haag’ komt, lokaal kan worden omzeild en ‘gerepareerd’. Dit is vaak de praktische insteek van veel lokale initiatieven: mopper misschien even, maar ga niet wachten op nieuw beleid en ga zelf aan de slag. In de regio Eindhoven zien we zo bijvoorbeeld dat het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang al samengaan in de praktijk. In Leeuwarden is lokaal een model ontwikkeld waar alle partijen hecht samenwerken gestimuleerd door de gemeente. En in Amsterdam vonden lokale scholen en kinderopvangaanbieders elkaar spontaan in een speciale Taskforce Integrale Kindcentra waar lief en leed werden gedeeld maar ook praktische kennis als professionals een IKC willen starten. In verschillende gemeentes zijn er zo nieuwe initiatieven en pioniers. Er heerst op diverse plekken in ons land weer een beetje een geuzengevoel. Nederland is, in pedagogisch opzicht, weer een land van gewesten waar lokale regenten, samen met professionals uit de praktijk, een republiek stichten voor het jonge kind.

Neuzen niet dezelfde kant op
Mogelijk hebben enkele leerkrachten nog wel enige koudwatervrees als het gaat om een hechte samenwerking, die veel tijd en energie kan kosten van een compleet team. Recent afgerond en lopend onderzoek laat al een beetje zien hoe samenwerking effectief en efficiënter kunnen plaatsvinden. Allereerst, je moet niet gaan samenwerken om het samenwerken om daarna eens te gaan kijken wat je met eigenlijk precies met elkaar wil doen. Samenwerking is eigenlijk alleen nuttig als partijen elkaar aanvullen: alleen op dat punt is samenwerking essentieel.

Vanuit het idee dat je elkaar aanvult en dus anders bent, moet er ook wederzijds begrip zijn voor een andere werkwijze en cultuur. Of zoals professor Patrick Kennis het laatst verwoordde bij een masterclass die werd verzorgd door PACT: de neuzen moeten juist niet dezelfde kant opstaan.
Vervolgens moet je als team praktisch kijken hoe je op de meest efficiënte wijze elkaar kan aanvullen. Bespreek niet ‘alles’ met ‘iedereen’. Dit model levert weliswaar afstemming op maar vraagt wel erg veel tijd en energie van alle deelnemers. Het is, bijvoorbeeld, ook mogelijk één trekker en een contactpersoon uit elke organisatie met elkaar te laten overleggen. Een model waarbij alleen de directie van de ene en de andere organisatie met elkaar overleggen is echter niet wenselijk. Dit ‘bestuurdersmodel’ mist een duidelijke verbinding met de werkvloer en lijkt ook geen synergie te creëren tussen collega’s.

Het lopende PACT-onderzoek moet ten slotte duidelijk maken welke personen deze sleutelposities bekleden in een organisatie. Wie is de ideale verbindingspersoon, welk profiel heeft hij of zij? Welke competenties passen bij een spilfiguur in de organisatie die zich bezighoudt met interprofessionele samenwerking? Het PACT-project levert binnenkort enkele recepten op voor samenwerking waarbij we weer meer weten over effectieve en efficiënte samenwerking in een nieuw en dynamisch speelveld.

Tips voor samenwerking

  • Werk niet samen om het samenwerken – samenwerking is alleen nuttig als je elkaar aanvult;
  • Alle samenwerkingspartners zijn anders – zorg voor wederzijds begrip voor elkaars werkwijze en cultuur;
  • Bespreek niet ‘alles’ met ‘iedereen’– het is ook mogelijk om één trekker en een contactpersoon uit elke organisatie met elkaar te laten overleggen;
  • Kies de juiste verbindingspersoon, welk profiel heeft hij of zij?

Literatuur:
Ploeger, S., & Fukkink, R. (2013). Interprofessionele samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs in vier Europese steden. Pedagogiek, 33(3), 209-226.

Littlechild, B., & Smith, R. (2013). A handbook for interprofessional practice in the human services. Harlow: Pearson.

Morrison, M., & Glenny, G. (2012). Collaborative inter-professional policy and practice: In search of evidence. Journal of Educational Policy, 27(3), 367-386.

Verschuur, A. (2014). Strijdlust kenmerkt Kindcentra 2020. Beleid Bestuur Management & Pedagogiek in de Kinderopvang, oktober, 9-12.

Verder lezen?

www.hetkinderopvangfonds.nl/downloads/themas/samenwerking_kinderopvang/M78-0036_visiedocument_11-9.pdf 
www.vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/voorschoolse-voorzieningen/kopgroep-kindcentra 
www.pedagogiek-online.nl/index.php/pedagogiek/article/viewFile/URN%3ANBN%3ANL%3AUI%3A10-1-100781/461 

© 2017 – Pedagogisch PACT - www.pedagogischpact.nl